Box 3 blijft in beweging
De ontwikkelingen rond de hypotheekrenteaftrek en box 3 volgen elkaar snel op. Voor huiseigenaren, beleggers en andere vermogenden kunnen de aangekondigde wijzigingen belangrijke gevolgen hebben. In dit artikel zetten we de belangrijkste ontwikkelingen voor u op een rij.
Hypotheekrenteaftrek vanaf 2031 mogelijk beperkt
Voor veel huiseigenaren is de hypotheekrenteaftrek al jarenlang een vast onderdeel van de belastingaangifte. Hypotheekrente op eigenwoningschuld is onder voorwaarden aftrekbaar van het belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1.
Sinds 2001 geldt dat hypotheekrente voor de eigen woning maximaal dertig jaar aftrekbaar is in box 1. In 2031 loopt dus voor de eerste groep huiseigenaren de periode van hypotheekrenteaftrek (gedeeltelijk) af. Na afloop van de dertigjaarstermijn gaat de niet-afgeloste schuld over van box 1 naar box 3. De vraag is overigens in hoeverre u dat daadwerkelijk (veel) geld zal kosten. Vanaf 2028 wordt de rente op schulden in box 3 meegenomen bij de berekening van het werkelijke rendement (zie hierna).
Praktische uitdagingen bij uitvoering
De verwachting is dat dit tot verwarring gaat leiden. Niet iedereen beschikt nog over belastingaangiften uit de periode vanaf 2001, terwijl juist deze gegevens nodig kunnen zijn om de duur en omvang van de hypotheekrenteaftrek vast te stellen.
Daarnaast kunnen veranderingen in de persoonlijke situatie invloed hebben op de hypotheekrenteaftrek. Denk bijvoorbeeld aan een verhuizing, huwelijk, echtscheiding of verbouwing.
Politiek verdeeld over oplossingen
Het Ministerie van Financiën heeft een aantal mogelijke oplossingen geopperd. Dit varieert van direct stoppen met hypoheekrenteaftrek vanaf 2031 voor hypotheken aangegaan vóór 2013, tot overgangsrecht tot en met 2042. Er zijn zes varianten voorgesteld, met elk zijn voor- en nadelen. Daarbij gaat het om de keuze tussen het (deels) afbouwen van de hypotheekrenteaftrek of juist het (deels) verruimen ervan.
Voor veel eigenwoningbezitters is nog onduidelijk welke gevolgen de uiteindelijke regeling zal hebben. Vooralsnog zijn de politieke partijen hierover verdeeld, ook tussen de coalitiepartijen onderling. Misschien dat met Prinsjesdag hierover meer duidelijk wordt.
Nieuwe box 3-heffing roept vragen op
Ook rondom box 3 blijft de onrust groot. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is door de Tweede Kamer aangenomen. Kort na de aanname van het wetsvoorstel ontstond opnieuw discussie over de praktische uitwerking ervan. Zoals het er nu naar uitziet gaat dit wetsvoorstel in op 1 januari 2028, maar het kabinet heeft alweer andere plannen voor het jaar erna. Budgettair bezien moet het wetsvoorstel eigenlijk in 2028 ingaan. Elk jaar dat de wet later ingaat, zou de schatkist 2,4 miljard euro kosten.
Belasting werkelijk rendement vanaf 2028
Nu is het nog zo dat belastingplichtigen de keuze hebben te kiezen voor het forfaitair rendement in box 3 of, als dat lager is, voor het werkelijk rendement. Vanaf 1 januari 2028 komt deze keuze te vervallen en wordt het inkomen in box 3 belast op basis van het werkelijk rendement.
Rente, dividend, huur en dergelijke, maar ook waardestijgingen van vermogensbestanddelen worden vanaf dat moment belast in box 3. Kosten en verliezen zijn aftrekbaar.
Van vermogensaanwas naar vermogenswinstbelasting
Als gevolg van de discussie die er is over de vermogensaanwasbelasting wordt deze wet nog aangepast naar een vermogenswinstbelasting. Dit moet worden opgenomen in het Belastingplan 2029.
In 2028 geldt voor onroerende zaken en aandelen in startups en scaleups al wel een vermogenswinstbelasting. Voor bijvoorbeeld effecten is dat in 2028 nog niet zo. Daarvoor geldt dan de vermogensaanwasbelasting.
Het voordeel van een vermogenswinstbelasting is dat deze pas wordt geheven op het moment dat de winst wordt gerealiseerd, dus bij verkoop. Dan komen er ook liquiditeiten vrij waarmee de belasting kan worden betaald.
Dat klinkt logisch, maar de wet kent ook zogenoemde fictieve vervreemdingen. Dan is fiscaal wel sprake van een vervreemding, maar leidt dit niet tot inkomen. Denk hierbij aan het aangaan van een huwelijk of het verkrijgen van een erfenis. Dit wordt fiscaal bezien gezien als een vervreemding en leidt dus tot belastingheffing in box 3 terwijl er geen liquiditeiten vrijkomen. Doorschuiffaciliteiten zijn nog niet opgenomen in de wet. Gaan deze nog komen? Dat moeten we afwachten. Zoals het nu staat, zou de heffing in box 3 wel eens tot liquiditeitsproblemen kunnen leiden bij evidente zaken als een huwelijk of echtscheiding.
2027 wordt belangrijk voorbereidingsjaar
Voor onroerend goed geldt dus vanaf 1 januari 2028 een vermogenswinstbelasting. Startwaarde is de waarde per 1 januari 2028. Een goede taxatie is dus essentieel. Het jaar 2027 wordt een belangrijk jaar waarin keuzes moeten worden gemaakt. Voor veel belastingplichtigen is box 3 de afgelopen jaren aanzienlijk minder aantrekkelijk geworden. Box 2 kan een goed alternatief zijn. Het is verstandig om tijdig na te denken over de positie van vermogensbestanddelen die nu nog in box 3 vallen. Is het bijvoorbeeld wenselijk deze onder te brengen in een bv (box 2)? Daarnaast kunnen taxaties nodig zijn om goed voorbereid te zijn op de nieuwe regels.
Een goede voorbereiding is daarbij belangrijk. Hoewel de nieuwe regels pas vanaf 2028 zijn voorzien, kan 2027 een belangrijk jaar worden om keuzes te maken en de nodige voorbereidingen te treffen. Juist omdat de fiscale plannen nog in ontwikkeling zijn, is het verstandig om tijdig inzicht te krijgen in de mogelijke gevolgen voor uw situatie.
Wij blijven de ontwikkelingen rondom box 3 en de hypotheekrenteaftrek voor u volgen en houden u op de hoogte van relevante wijzigingen.
Meer weten?
Heeft u hier vragen over? Of bent u benieuwd wat dit voor uw situatie betekent? Neem vrijblijvend contact met ons op. Wij helpen u graag.